VR 2019/84 Verkeersongeval; sommenverzekering; verrekening uitkering met schadevergoeding.

In 2015 is verzoekster een verkeersongeval overkomen toen zij in het donker op haar elektrische fiets reed. Bij een kruising zag verzoekster een voertuig staan van het bedrijf van verweerster 1 en daarnaast een busje van het bedrijf Bo-Rent. Het ongeval vond plaats doordat een medewerker van verweerster 1 een sleepkabel strak had gespannen boven het wegdek, zodat het busje van Bo-Rent uit het zand kon worden gesleept. Door verweerster 1 waren geen veiligheidsmaatregelen getroffen. Verzoekster is met haar fiets tegen deze kabel gereden, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. De aansprakelijkheidsverzekeraar van verweerster 1, Allianz, heeft volledige aansprakelijkheid erkend voor de door verzoekster geleden schade. Verzoekster heeft voor eigen rekening in 1987 een verzekering afgesloten voor arbeidsongeschiktheid (AOV) bij verzekeraar Reaal. Na het ongeval heeft verzoekster bij Reaal succesvol aanspraak gemaakt op uitkering onder de AOV. In deze procedure twisten verzoekster en Allianz over de vraag of Allianz de door verzoekster (te) ontvangen gelden uit de AOV mag verrekenen met de schade die Allianz dient te vergoeden als gevolg van het ongeval. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze vraag beantwoord moet worden aan de hand van art. 6:100 BW. Dit artikel bepaalt dat indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht. Bij het bepalen of verrekening in casu redelijk is, hanteert de rechtbank de gezichtspunten uit het arrest Verhaeg/Jenniskens (ECLI:NL:HR:2010:MB7808). Tegen verrekening pleit volgens de rechtbank dat de AOV als sommenverzekering is te kwalificeren; dat Allianz niet de premies van de door verzoekster afgesloten AOV heeft voldaan; dat de aansprakelijkheid van verweerster 1 via een WAM-verzekering is gedekt; dat het afsluiten van de AOV door verzoekster valt te beschouwen als een privéaangelegenheid die de aansprakelijke partij niets aangaat en, tot slot, dat de AOV voor Reaal geen grondslag biedt om regres op een aansprakelijke persoon te nemen. Voor verrekening pleit daarentegen dat de AOV bij arbeidsongeschiktheid voorziet in een periodieke (dus niet eenmalige) uitkering en dat verzoekster de AOV heeft afgesloten om ervoor te zorgen dat in geval van arbeidsongeschiktheid haar belangrijkste doorlopende kosten, zoals huur en vaste lasten, zouden worden vergoed. De rechtbank acht de argumenten voor wel of geen verrekening in zeker evenwicht met elkaar en oordeelt daarom dat verrekening van 50% van de AOV-uitkeringen op de schade in casu redelijk is. De rechtbank vervolgt dat dit oordeel meebrengt dat Allianz 50% profijt heeft van de AOV die verzoekster heeft afgesloten. Gelet hierop vindt de rechtbank het redelijk van het toe te rekenen voordeel de premiebedragen, eveneens voor 50%, af te trekken vanaf het moment dat het risico zich heeft verwezenlijkt tot aan het moment dat verzoekster volledig hersteld is verklaard.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren