VR 2019/7 Verkeersongeval bus en voetganger; overmacht; roekeloosheid; eigen schuld.

Gedaagde organiseert op Aruba excursies en exploiteert in dat verband zgn. Bananabussen. Op 2 maart 2012 heeft er een ongeval plaatsgevonden tussen eiser als voetganger en een Bananabus van gedaagde. De bus reed op de verkeerde weghelft achteruit en kwam daarbij in botsing met eiser, die op de rijbaan liep. Eiser is tientallen meters meegesleurd en heeft ernstig (deels blijvend) letsel opgelopen. Eiser vordert een verklaring voor recht dat gedaagde volledig aansprakelijk is. Gedaagde verweert zich door te stellen:- primair: dat sprake zou zijn van overmacht;- subsidiair: dat voor toepassing van de zgn. 50%-regel geen plaats zou zijn in verband met aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van eiser;- meer subsidiair: dat voor het aannemen van een grotere vergoedingsplicht dan 50% geen aanleiding zou bestaan. Het Gerecht geeft in overwegingen 4.1 t/m 4.6 het kader weer dat van belang is bij een aanrijding tussen een gemotoriseerde enerzijds en een niet-gemotoriseerde anderzijds. Uitgaande van dit kader verklaart het Gerecht voor recht dat gedaagde volledig aansprakelijk is, met de volgende overwegingen: - ten aanzien van het beroep op overmacht stelt het Gerecht voorop dat daarvan slechts sprake kan zijn indien de gemotoriseerde 'rechtens geen enkel verwijt' kan worden gemaakt. Daarvan is geen sprake, omdat de chauffeur van de Bananabus in ieder geval ten onrechte op de verkeerde weghelft achteruit reed. Reeds om die reden kan het beroep op overmacht niet slagen. - ten aanzien van het beroep op aan opzet grenzende roekeloosheid stelt het Gerecht voorop dat daarvan slechts sprake kan zijn indien de niet-gemotoriseerde zich bewust is geweest van zeer aanzienlijk gevaar en zich desondanks niet van zijn gedrag heeft laten weerhouden. Daarvan is hier geen sprake geweest. Eiser liep weliswaar ten onrechte op de rijbaan in plaats van op het trottoir, maar hij deed dat op klaarlichte dag en op een rechte, geasfalteerde weg. Hij hoefde zich er onder die omstandigheden niet van bewust te zijn dat dit gedrag een zeer aanzienlijk gevaar van een aanrijding (met een achteruitrijdend voertuig) in het leven riep. - ten aanzien van het meer subsidiaire beroep op eigen schuld overweegt het Gerecht dat daarbij eerst een causale verdeling moet worden gemaakt, waarna eventueel aanleiding kan bestaan voor een billijkheidscorrectie. Het Gerecht komt tot een causale verdeling van 90-10 in het nadeel van gedaagde. Het aan gedaagde toe te rekenen gedrag (achteruitrijden op de verkeerde weghelft) heeft in veel grotere mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval dan het gedrag van eiser (lopen op de rijbaan). Daarbij speelt een belangrijke rol dat eiser in normale omstandigheden (dat wil zeggen: voor vooruitrijdend verkeer op de juiste weghelft) goed zichtbaar zou zijn geweest, zodat zijn gedrag niet als bovenmatig gevaarlijk kan worden aangemerkt. De chauffeur van de bus daarentegen heeft kennelijk op zo'n manier gereden dat hij er pas na tientallen meters achter kwam dat hij een voetganger had aangereden, zodat zijn gedrag (wél) als zeer gevaarlijk kan worden aangemerkt. Voorts past het Gerecht een billijkheidscorrectie van 10% toe, zodat de schade volledig voor rekening van gedaagde komt. Daarbij zijn met name de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten en de ernst van het door eiser opgelopen letsel van belang.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren