Voordeelstoerekening volgens het arrest Verhaeg/Jenniskens: duidelijkheid of debat?

Mr. J.W. Silvius
Heeft eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, aldus art. 6:100 BW. Verzekeringsuitkeringen vormen een belangrijke categorie van voordelen. Het is omstreden of het redelijk is om uitkeringen uit verzekeringen in mindering te brengen op de vergoeding van letselschade. Door het toerekenen van een voordeel uit een verzekering zou de schadeplichtige profiteren van een ten gunste van de benadeelde afgesloten verzekering. Daarentegen zou het niet toerekenen ertoe kunnen leiden dat de benadeelde door de schadeveroorzakende gebeurtenis in een voordeliger positie raakt. Deze vraag is dan ook met regelmaat onderwerp van procedures. Rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp is schaars. In het arrest Verhaeg/Jenniskens uit 2010 besteedde de Hoge Raad uitvoerig aandacht aan het onderwerp door een zestal gezichtspunten en vuistregels te formuleren op grond waarvan al dan niet tot toerekening van een verzekeringsuitkering bij de vergoeding van letselschade dient te worden overgegaan. Dit arrest heeft veel kritische pennen in beweging gebracht.
In dit artikel gaat de auteur na hoe in de praktijk uitwerking wordt gegeven aan dit arrest, met name gaat zij in op de vraag of de gezichtspunten en vuistregels in de lagere rechtspraak voor duidelijkheid hebben gezorgd. De auteur staat eerst stil bij de situatie zoals deze was voor het arrest, waarna zij het arrest Verhaeg/Jenniskens bespreekt. Zij gaat daarbij in het bijzonder in op de gezichtspunten en vuistregels. Vervolgens bespreekt ze de rechtspraak die na 2010 is verschenen.
Uit de evaluatie blijkt dat het arrest Verhaeg/Jenniskens wordt toegepast om te beoordelen of toerekening van een verzekeringsuitkering redelijk is. Maar de gezichtspunten en vuistregels hebben in de lagere rechtspraak niet voor duidelijkheid gezorgd. De toepassing ervan is niet eenduidig. Het is onduidelijk welke factoren dominant zijn of juist een uitzondering vormen, wat kan leiden tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Uitspraken van het Hof ’s-Hertogenbosch en de Rechtbank Den Haag illustreren dit. In beide uitspraken strekt de uitkering ertoe dezelfde schade de te dekken als die waarvoor laedens aansprakelijk is (gezichtspunt A), is de verzekering aan de zijde van de benadeelde afgesloten (gezichtspunt C), is de aansprakelijkheid door een verzekering gedekt (gezichtspunt E) en is er een zekere mate van schuld (gezichtspunt F). Waar het Hof ’s-Hertogenbosch tot de conclusie komt dat toerekening niet redelijk is, acht de Rechtbank Den Haag het redelijk om het voordeel toe te rekenen.
De auteur vindt het onwenselijk dat soortgelijke gevallen ongelijk worden behandeld en doet een aantal suggesties om het systeem beter vorm te geven. Op basis van haar bevindingen uit de rechtspraak heeft de auteur een alternatieve beslisboom opgesteld. De belangrijkste factoren, zoals de strekking van de uitkering en de vraag wie de verzekering heeft betaald, nemen in deze beslisboom een prominente plaats in. Het voordeel van deze beslisboom is dat duidelijk is welke gezichtspunten dominant zijn en welke gezichtspunten uitzonderingen kunnen vormen.

Bron: 
AV&S 2017, afl. 1, p. 11-18