Archief

Hier vindt u de korte samenvatting van artikelen en jurisprudentie uit het archief van Verkeersrecht. De volledige teksten zijn te raadplegen als u bent ingelogd. Abonnees van Verkeersrecht hebben hiertoe toegang. U kunt zoeken op editie of via het algemene zoekveld bovenin deze pagina.

VR 2012/08 De nieuwe aanpak van rijden onder invloed van drugs

Momenteel is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig met als doel om de aanpak van rijden onder invloed van drugs te verbeteren.1)Dit wetsvoorstel bouwt voort op onderzoek waaruit blijkt dat rijden onder invloed van drugs de rijvaardigheid in aanzienlijke mate vermindert. Bovendien komt het geregeld voor dat bestuurders onder invloed van drugs betrokken zijn bij verkeersongevallen. Dit wetsvoorstel introduceert drie instrumenten om het rijden onder invloed van drugs adequater te kunnen aanpakken. Om te beginnen voorziet het wetsvoorstel in een nieuwe bevoegdheid voor opsporingsambtenaren die met de handhaving van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn belast. Deze bevoegdheid houdt in dat bij bestuurders van wie wordt vermoed dat zij onder invloed van drugs rijden, een speekseltest kan worden afgenomen. Omdat een speekseltest niet in alle gevallen afdoende lijkt om drugsgebruik te kunnen vaststellen, wordt in het wetsvoorstel een tweede bevoegdheid gecreëerd die bestaat uit een door deze opsporingsambtenaren te verrichten onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties van de bestuurder. Ten derde wordt een aparte strafbaarstelling van rijden onder invloed van drugs voorgesteld, door aan artikel 8 van de WVW 1994 een afzonderlijke verbodsbepaling toe te voegen.

VR 2012/09 De routekaart van Blees

In de zomer van 2010 is Frits Blees gepromoveerd op een proefschrift getiteld: ‘De Weg naar Schadevergoeding in het Internationale Gemotoriseerde Verkeer’. In deze studie wordt een overzicht gegeven van de zestigjarige ontwikkeling van de ‘WAM’ in Europa en het – voorlopig – resultaat daarvan. Juist in de huidige tijd waarin ‘Europa’ in elk nieuwsbericht een prominente plaats opeist en niet meer iedereen doordrongen lijkt van de historische onontkoombaarheid van steeds verder gaande Europese samenwerking, is het interessant om te zien dat de Europese integratie op een weliswaar klein maar voor de dagelijkse praktijk uiterst belangrijk terrein al ver voorbij het ‘point of no return’ is. Het resultaat is een goed lopend systeem of stelsel van met elkaar samenwerkende organisaties en instellingen, dat in dit boek gedetailleerd besproken en hier en daar bekritiseerd wordt door iemand die als waarschijnlijk geen ander in Nederland weet hoe het zit én hoe dat zo gegroeid is.1)In deze bespreking zal blijken dat de titel van de studie misschien iets te veel een praktisch handboek suggereert te zijn, maar voor wie wil weten hoe het stelsel echt in elkaar zit, biedt het boek een overvloed van onderwerpen die elk op zich al stof opleveren voor een grondige en boeiende beschouwing. In het navolgende wordt de opbouw en indeling van het boek besproken. Ik constateer met enige spijt dat de materie niet makkelijker ‘behapbaar’ is gemaakt. Kennelijk is de ‘Europese WAM’ nog even gedrochtelijk als de WAM – waarschijnlijk zelfs erger. De kern van de regelgeving, namelijk ervoor zorg dragen dat er voor slachtoffers van ongevallen die veroorzaakt worden door het gemotoriseerde verkeer een instantie klaarstaat die zorgt voor schadevergoeding, verdwijnt enigszins onder de sneeuw van talloze regels, regelingen, interpretaties en al of niet geoorloofde clausules. Al met al geen lichte kost!

VR 2012/10 Bloedonderzoek.

Nu uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen rechtstreeks de mogelijkheid voortvloeit dat de bloedafname heeft plaatsgevonden binnen een uur na het moment waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, en de stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt niet inhouden dat de verdachte is medegedeeld dat hij een tweede bloedafname kon verzoeken, had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of de verplichting tot het doen van de mededeling als bedoeld in het derde lid van art. 15 Besluit alcoholonderzoeken is nagekomen, dan wel of de verdachte te kennen heeft gegeven een tweede bloedafname niet te hebben gewild. Nu hiervan niet blijkt, is de bewezenverklaring, inhoudende dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte 1,73 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

VR 2012/12 Bewijs van overtreding van art. 8 lid 1 WVW 1994. Rijden onder invloed van cannabis.

Voor een veroordeling op grond van art. 8, eerste lid, WVW 1994 is beslissend of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder zodanige invloed van de in die bepaling bedoelde stof verkeerde, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO4048, NJ 2004/438 (VR 2005/43)). De aan de middelen ten grondslag liggende opvatting dat voor een veroordeling ter zake van art. 8, eerste lid, WVW 1994 noodzakelijk is dat sprake was van een zodanige invloed van die stof dat het risico op het maken van ongelukken significant is toegenomen, is onjuist.

VR 2012/13 Rijvaardigheid. Morfine, codeïne, cocaïne.

In aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van morfine, codeïne en cocaïne de rijvaardigheid kan verminderen en de verdachte niet heeft aangevoerd daarvan niet op de hoogte te zijn, is de bewezenverklaring - kort gezegd rijden onder zodanige invloed van morfine etc., terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van (een) andere stof(fen) - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht - voldoende gemotiveerd.

VR 2012/14 Bewijs van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Roekeloosheid. Straftoemeting.

De verdachte is, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en na gebruik van meer dan driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol, met een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid een flauwe bocht ingereden, waardoor hij de controle over de door hem bestuurde auto heeft verloren en daarmee op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is geraakt, waar de auto in botsing is gekomen met een tegemoetkomende auto. Enkele seconden tevoren had de verdachte een rood verkeerslicht genegeerd, waarbij hij vlak voor een met groen licht overstekende fietser langs is gereden. Het hof is van oordeel dat dit rijgedrag als roekeloos is aan te merken, nu de verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen en daarmee op zeer lichtzinnige wijze is omgegaan. (vervolg op Rb. ‘s-Hertogenbosch 30 maart 2010, VR 2011/23)

VR 2012/15 Bewijs van rijden onder invloed.

Als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden aangemerkt elke persoon die één of meer bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging of rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt. Van beïnvloeding van voortbeweging of rijrichting van het motorrijtuig is in dit geval (nog) geen sprake geweest, zodat de verdachte niet als bestuurder in de zin van de wet kan gelden en moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd (rijden onder invloed).

VR 2012/16 Over en weer groen licht verondersteld, toch gevaarzetting.

Indien bij een botsing op een door verkeerslichten beveiligde kruising niet komt vast te staan wie groen had en wie door rood reed, moet er veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de aansprakelijk gestelde automobilist groen had. Deze is niettemin aansprakelijk als hij onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval zó groot was, dat hij zich van dat gedrag had moeten onthouden. Voor de beoordeling daarvan zijn onder meer van belang: (1) het verkeersgedrag (o.m. snelheid) van beide partijen, (2) overzichtelijkheid kruising, (3) afstand waarop de verkeersdeelnemers elkaar konden zien, (4) aanwijzingen dat de ander mogelijk het rode stoplicht zou negeren, (5) aanwezigheid van waarschuwingsborden. Bij de vraag of de eiser ‘eigen schuld’ kan worden tegengeworpen moet verondersteld worden dat eiser groen licht had en moet diens verkeersgedrag op dezelfde wijze worden beoordeeld. Vgl. HR 22 april 2005, VR 2006/20 en HR 17 november 2006, VR 2007/22. Een dergelijke situatie leidt niet ‘automatisch’ tot 50/50.

VR 2012/17 Verjaring: geen onderzoek naar mogelijke verjaring artikel 10 WAM; geen rechten veiliggesteld tegen mogelijk aansprakelijke personen.

Motorvakantie in Schotland. Een aantal motoren rijdt ‘in formatie’ achter elkaar op betrekkelijk smalle weg met veel grind of split. De voorste komt ten val. Een volgende komt in de problemen en valt ook. Achterop deze tweede zit passagier die letsel oploopt. Dat was op 2 augustus 1992. Op 13 september 1995 neemt Bureau Pals de schaderegeling ten behoeve van de passagier over van de verzekeringstussenpersoon die de WAM-verzekeraar van de tweede motorrijder, Interpolis, voor aansprakelijk hield. Sprake is van brieven van 12 januari 1995 en 20 februari 1995 maar inhoud, verzender noch ontvanger blijken uit het arrest of het vonnis waarvan beroep. Kennelijk zonder grondig onderzoek naar de vraag of de verjaring van artikel 10 WAM gestuit was, correspondeert Bureau Pals met Interpolis en vanaf medio 1996 ook met de verzekeraar van de voorste motor, Generali. In deze correspondentie beroepen verzekeraars zich niet op verjaring. In 2000 wordt een procedure gestart tegen verzekeraars die zich pas dan beroepen op verjaring, waarna de vorderingen worden afgewezen. Een door Bureau Pals in 2003 ingesteld hoger beroep wordt door het slachtoffer niet voortgezet. In plaats daarvan spreekt deze Bureau Pals aan wegens het laten verjaren van de vorderingen tegen de beide motorrijders zelf.

Pagina's